Begin deze week berichtte de Volkskrant dat ruim de helft van alle middelbare scholen niet de ‘normale overgangsnormen’ hanteert in dit coronajaar. De krant baseert deze uitspraak op een enquête die onder alle middelbare scholen is afgenomen.
Ik wil hier niet de discussie starten over de significantie van de cijfers. Met een respons van 149 scholen, ongeveer 20 procent van de middelbare school leerlingen, is er in elk geval sprake van een helder signaal.
Ruim een derde van de scholen geeft aan over onvoldoende gegevens te beschikken om leerlingen goed te kunnen beoordelen. Deze groep heeft besloten dat alle leerlingen overgaan, tenzij een leerling al lang niet meer verscheen op school voordat de coronacrisis begon. Deze scholen onderbouwen hun besluit met het argument dat leerlingen niet de dupe mogen worden van het gewijzigde onderwijsprogramma.
Op 15 procent van de scholen kiest men voor de variant om ouders samen met hun kind mee te laten beslissen over overgaan of zittenblijven. De keuze van de leerling is leidend. Als de keuze van de leerling niet in lijn is met het beeld van de school, dan worden aanvullende afspraken gemaakt. Een kind mag dus altijd overgaan. Ook hier is het uitgangspunt dat de leerling geen nadeel mag ondervinden van het onderwijs op afstand.
Ongeveer 5 procent van de scholen zegt nog geen besluit te hebben genomen over de norm die zij gaan hanteren. Ruim 40 procent wijkt niet af van de standaardnormen, waarbij rapportcijfers leidend zijn en de school een bindend advies geeft. In dit laatste scenario is het afstandsonderwijs geen reden om over te gaan tot een alternatieve aanpak voor het doorstroomadvies.
Onze minister voor basis- en voortgezet onderwijs, heeft gereageerd op de enquête en spreekt zich expliciet uit over de 15 procent die ouders en leerlingen betrekt bij de besluitvorming over doorstroom naar het volgende leerjaar. Een woordvoerder van de minister zei hierover: ‘Als ouders mogen bepalen of hun kind naar de volgende klas gaat, kan dit leiden tot kansenongelijkheid. Vooral mondige en hoogopgeleide ouders zullen daarvan gebruik maken. Dat is niet wenselijk.’
Toen ik dit las voelde ik een frons opkomen, maar toen ik het vervolg van de reactie van de minister las, was ik misschien nog wel meer verbaasd. Op de vraag wat de minister vindt van het afschaffen van zittenblijven, was het antwoord: ‘Leraren zijn de professionals die het beste kunnen beoordelen wat voor een leerling de juiste stap is. Als volgens hen alle leerlingen naar de volgende klas kunnen, dan moeten we erop vertrouwen dat dit kan.’
Het besluit om iedereen over te laten gaan, wordt dus gesteund door de minister zonder een kritische noot. Vervolgens wordt er niet ingegaan op de grote groep scholen die niet afwijkt van de standaardnorm en de kleine groep die nog geen besluit heeft genomen. Waarom laat de minister zich enkel zo kritisch uit over die 15 procent, terwijl de meerderheid van de leerlingen is vertegenwoordigd in de andere groepen? Als je het argument van kansenongelijkheid inbrengt, moet je dan niet juist naar die andere groepen kijken?
Hoe zorg je voor kansengelijkheid als de standaardnorm gehandhaafd blijft? Een school die de bestaande norm hanteert, kan zonder ruimte voor context een leerling een jaar over laten doen. Hoeveel kans heb je om over te gaan als je nu onvoldoende staat omdat je na 16 maart nauwelijks aan leren bent toegekomen? Wissen drie maanden alles uit van wat je daarvoor hebt bereikt? En hoe kritisch kijkt een school naar de kwaliteit van het afstandsonderwijs dat zij heeft geleverd?
Is er dan wel sprake van kansengelijkheid als je besluit dat ongeacht de resultaten, iedereen overgaat naar het volgende leerjaar? Biedt dat voor de individuele leerling echt de beste uitgangspositie? Wat als je in het jaar voor je eindexamen zit en je misschien zonder coronacrisis ook nog wel wat meer tijd had kunnen gebruiken? Of als je in een combinatiebrugklas zit en misschien het hoogste niveau aankunt, maar misschien ook niet? In beide situaties is de juiste bagage en begeleiding misschien nog wel belangrijker dan het ticket voor de volgende klas.
Een school die het zittenblijven voor dit jaar afgeschaft, kan rekenen op bijval van de minister. Hetzelfde geldt voor scholen die niet afwijken van de standaardnorm. Dat in beide gevallen voor het doorstroomadvies niet hoeft te worden gekeken naar de context -de invloed en kwaliteit van het afstandsonderwijs- lijkt daarmee geaccepteerd. Bij beide opties kun je volstaan met standaarden die voor het merendeel van leerlingen positief zal uitpakken. Dat is immers de rationale achter standaarden.
Echter, als het gaat om meer kansengelijkheid, moeten we dan niet juist meer aandacht hebben voor maatwerk in plaats van de standaard? Moeten scholen daar niet veel nadrukkelijker op worden bevraagd door onze minister? Het feit dat ruim 80 procent van de scholen kiest voor een optie zonder inmenging van de ouders en leerlingen, geeft voor mij aan dat het Nederlandse onderwijs -nog steeds- beperkt is ingericht op maatwerk en dialoog met de leerling.
De diversiteit in leerroutes die veel scholen hebben ontwikkeld, zijn niet het maatwerk waar ik op doel. Ik wil niets afdoen aan goede intenties, maar de praktijk wijst uit dat het veelal een effectief marketinginstrument is voor het aantrekken van nieuwe leerlingen. Je kunt het de school ook bijna niet kwalijk nemen dat daadwerkelijke innovaties uitblijven zolang je een schouderklop uit Den Haag ontvangt voor het binnen de lijntjes kleuren. Innovatie binnen gestelde kaders, is een contradictie in zichzelf en verhindert om daadwerkelijke de stap richting maatwerk te zetten.
Nu even terug naar de 15 procent van de scholen die de ouder en kind betrekken bij het doorstroomadvies. Hoe bestaat het dat dit geen bijval krijgt van een minister die kansengelijkheid hoog in het vaandel heeft staan? Juist die scholen die in gesprek gaan met ouder en kind, staan stil bij het individuele belang van de leerling. Er is ruimte voor dialoog over het onderwijs en de context waarin het heeft plaatsgevonden. Door gezamenlijk een plan van aanpak op te stellen, doet de school tevens een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de leerling. Hiermee sluiten ze aan bij wat de kern voor leerroutes zou moeten vormen.
Toch ziet de minister het anders. De minister kiest ervoor om de mondige ouder op te voeren als risico voor deze aanpak, in plaats van de nadruk te leggen op de kansen voor het individu. De kans dat een mondige ouder zijn standpunt inbrengt is zeker aanwezig, maar doet die ouder dat niet toch al? De school weet heel goed wie die ouders zijn en ook van wie de ouders bijna onzichtbaar lijken of helemaal niet in beeld zijn. Een professional is ervoor opgeleid om ook hiermee om te gaan. Geef de professional dat vertrouwen.
De coronacrisis vraagt veel van het onderwijs en ik heb begrip voor de keuzes die scholen hebben gemaakt in de afgelopen maanden. Het toont alleen ook aan dat in het onderwijs het nog altijd veiliger is om het collectief centraal te stellen in plaats van het individu. Om de standaard te verkiezen boven maatwerk. Hoe past dat bij een minister die zich zo hard maakt voor kansengelijkheid en onderwijsvernieuwing?
Beste minister, als u de leerling niet wilt laten zitten, nu niet en in de toekomst niet, spreek dan uw vertrouwen uit voor initiatieven die durven te breken met de standaard, die het individu centraal stellen en maatwerk zien als nieuwe norm.

Misschien voor de leek wat ingewikkelde materie, maar het blijft een goed en gedegen stuk.
Dank voor je compliment.