Gisteravond keek ik met mijn zoons van 9 en 11 naar het Jeugdjournaal. Een aanrader, ook voor degenen die geen kinderen hebben of kinderen in een leeftijd die buiten de doelgroep vallen. In heldere en eerlijke taal komt het nieuws van de dag voorbij. Ingewikkelde onderwerpen worden toegankelijk gemaakt door sterk visueel materiaal en geen vraag is raar. Kinderen komen vaak aan het woord en hun veelal nog ongepolijste opmerkingen en vragen zijn een verademing.
Door de ogen van een kind krijgt het nieuws net een andere benadering. Dat wat om ‘acht uur’ niet kan, kan een uur eerder wel. Er is ruimte voor verbazing en verwondering. Kinderen durven de vragen te stellen die volwassenen schuwen. Politici worden toegankelijker als het Jeugdjournaal voorbij komt en ze komen daardoor soms met verrassende antwoorden. Onderwerpen worden belicht door de ogen van een kind en ik merk dat het mijn kinderen aanzet tot het stellen van vragen en het formuleren van hun mening.
Gisteren was het 1 juli en in het Jeugdjournaal werd uitgebreid stilgestaan bij de viering van Keti Koti. Op 1 juli 1867 werd de slavernij in Nederland afgeschaft en er werd verteld dat Nederland 200 jaar slaven had verhandeld. Ons land had als een van de laatste landen de slavernij afgeschaft. Mijn oudste zoon maakte snel een rekensom en riep: ‘Mam, dat is nog geen 150 jaar geleden!’ Hij was compleet verbaasd dat het ‘nog maar’ zo kort geleden was gestopt en dat Nederland zo lang geld had verdiend aan mensenhandel.
Van een uitzending op tv, werd het een onderwerp dat de huiskamer binnendrong. Mijn jongste zoon mengde zich ook in het gesprek en zei: ‘Het is toch gek dat we dit vroeger gewoon vonden.’ En hij voegde daar vervolgens de filosofische opmerking aan toe: ‘Maar wat is gewoon?’ Daarna was het even stil en kwam hij terug met een antwoord: ‘Eigenlijk is niets gewoon.’ Ik vroeg hem waarom hij dat vond, maar de reactie liet even op zich wachten. Het Jeugdjournaal was inmiddels bij een item over rapper ‘Snelle’ en dat trok de aandacht.
Toen het optreden voorbij was, kwam er alsnog een reactie van mijn zoon: ‘Mam, als we nou eens stoppen met proberen te benoemen wat gewoon is dan vinden we niets meer vanzelfsprekend.’ Ik keek hem nog steeds een beetje vragend aan en hij vervolgde: ‘Als we er nou eens van uitgaan dat er geen gewoon en geen normaal bestaat dan wordt het veel eenvoudiger. We stoppen dan met mensen in hokjes stoppen.’ ‘Dan zou er ook veel minder racisme en homohaat en welke haat dan ook zijn.’
Ik keek mijn zoon aan en nog voordat ik antwoord kon geven, kwam mijn oudste zoon met zijn reactie op de beschouwing van zijn broertje: ‘Ja, dat is helemaal waar. Ik ben zo vaak gepest op school omdat ik niet normaal was en gewoon moest doen volgens de pesters.’ Het gesprek dat begon met een item uit ons niet zo trotse Nederlandse verleden, was gekanteld naar het nu, aangevuld met een pijnlijke persoonlijke ervaring van mijn oudste zoon. Ik slikte een keertje extra na deze ontwapende bijdragen aan het gesprek. Dierbaar hoe mijn mannen naar de wereld kijken en hun vertaling maken van het nieuws dat tot hen komt.
Vanochtend sloeg ik de Volkskrant open en las over het tenenkrommende debat dat zich gister in de Kamer had afgespeeld over institutioneel racisme. Een raak verslag over hoe de Kamer de slachtoffers van institutioneel racisme in Nederland allesbehalve een dienst hadden bewezen. Zelden stond racisme zo hoog op de politieke agenda, maar politici waren niet in staat gebleken om op een respectvolle manier met elkaar in debat te gaan. Het werd een debat waarin het ‘eigen gelijk’ belangrijker was en oude koeien werden uit moddersloten getrokken.
Je hoeft het niet eens te zijn met de stelling dat je de mens van nu verantwoordelijk maakt voor het gedrag van toen, maar een goed gesprek erover is toch het minste wat je mag verwachten. De Kamer bleek, zeker in de eerste termijn, niet in staat om het debat naar een niveau te tillen waar het onderwerp in het licht van nu werd geplaatst. Door vooral te blijven hakketakken over wie wel of geen excuses wilde maken voor de slavernij, ging men voorbij aan het bredere doel: antwoord bieden op de problematiek van nu. Het is een feit dat sinds de afschaffing van de slavernij nog steeds geen einde is gekomen aan racisme, uitsluiting en uitbuiting van groeperingen.
Als de kleinkinderen van onze kinderen straks de geschiedenisboeken openslaan, dan zullen ze lezen over nu. Over de moderne slaven die ervoor hebben gezorgd dat we bij de Action voor niet realistische bedragen onze slag konden slaan. Dat we bijna het hele jaar door tegen dumpprijzen kleding konden kopen bij verschillende textielketens. Dat George Floyd in 2020 leefde voordat hij bruut werd vermoord door een witte man die vond dat hij boven de wet stond. Dat als je Mohamed of Bouchra heet, maar je CV gelijk is aan dat van Willem-Jan of Anne, je ook in 2020 nog steeds significant minder kans maakte om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek. En dat er toen nog steeds mensen waren die dat gewoon of normaal vonden.
Ik denk terug aan het gesprek met mijn zoons en begrijp steeds beter wat mijn jongste zoon bedoelde en hoe pijnlijk het gepest van mijn oudste zoon heeft gevoeld. En met hem voor nog vele andere kinderen die worden ‘gepakt’ omdat ze niet voldoen aan een standaardplaatje. Wie is verantwoordelijk voor het plaatje waarmee wij onze kinderen de wereld in sturen? De kinderen die straks ons land gaan besturen? Hoe voeden zij de volgende generatie op en hoe staan de vertegenwoordigers van die groep straks in de Kamer?
Er is nog wel wat missiewerk te doen. Het Jeugdjournaal en het gesprek dat erop volgde met mijn kinderen, geeft gelukkig ook reden tot optimisme. Er is zo veel te winnen als we ruimte laten voor verwondering en verbazing én in gesprek blijven gaan met elkaar. En dat laatste op een manier waarbij we luisteren centraal stellen in plaats van het eigen stemgeluid. Ik stel voor dat de politiek geregeld om 19.00 uur even incheckt bij het Jeugdjournaal en luistert naar de wijze waarop zware onderwerpen daar worden belicht.
Ik gun mijn kinderen een land en een wereld waarin niet wordt gedacht in kleur, afkomst of geaardheid, maar in mogen zijn wie je bent en worden wat je wilt. Beoordeeld worden op wat je doet en niet veroordeeld worden om wie je bent. Dialoog om verbinding aan te gaan in plaats van monologen om polarisatie aan te wakkeren. Laat ons trots zijn op ons land. Ik weet zeker dat het kan, maar we moeten het wel willen. Te beginnen bij de mensen die ons land besturen. Hoe? Nou, gewoon, doen!
De geschiedenis kunnen we niet veranderen, daar mogen we ons met terugwerkende kracht voor schamen, maar de toekomst daar zijn we zelf verantwoordelijk voor. Misschien door het voorstel, van D66 en GroenLinks, om 2023 om te dopen tot herdenkingsjaar voor het slavernijverleden, niet alleen af te doen als ‘goed idee’. Realiseer 150 jaar na de afschaffing van de slavernij een jaar met tentoonstellingen, voorstellingen en andere initiatieven. En koppel dat aan activiteiten op scholen. Goed voor de hard getroffen cultuursector en leerzaam voor jong en oud. Ik kijk nu al uit naar het verslag van het Jeugdjournaal.
