Home » Archieven voor Patricia Wijnen

Auteur: Patricia Wijnen

Hoezo gewoon?

Gisteravond keek ik met mijn zoons van 9 en 11 naar het Jeugdjournaal. Een aanrader, ook voor degenen die geen kinderen hebben of kinderen in een leeftijd die buiten de doelgroep vallen. In heldere en eerlijke taal komt het nieuws van de dag voorbij. Ingewikkelde onderwerpen worden toegankelijk gemaakt door sterk visueel materiaal en geen vraag is raar. Kinderen komen vaak aan het woord en hun veelal nog ongepolijste opmerkingen en vragen zijn een verademing.

Door de ogen van een kind krijgt het nieuws net een andere benadering. Dat wat om ‘acht uur’ niet kan, kan een uur eerder wel. Er is ruimte voor verbazing en verwondering. Kinderen durven de vragen te stellen die volwassenen schuwen. Politici worden toegankelijker als het Jeugdjournaal voorbij komt en ze komen daardoor soms met verrassende antwoorden. Onderwerpen worden belicht door de ogen van een kind en ik merk dat het mijn kinderen aanzet tot het stellen van vragen en het formuleren van hun mening.

Gisteren was het 1 juli en in het Jeugdjournaal werd uitgebreid stilgestaan bij de viering van Keti Koti. Op 1 juli 1867 werd de slavernij in Nederland afgeschaft en er werd verteld dat Nederland 200 jaar slaven had verhandeld. Ons land had als een van de laatste landen de slavernij afgeschaft. Mijn oudste zoon maakte snel een rekensom en riep: ‘Mam, dat is nog geen 150 jaar geleden!’ Hij was compleet verbaasd dat het ‘nog maar’ zo kort geleden was gestopt en dat Nederland zo lang geld had verdiend aan mensenhandel.

Van een uitzending op tv, werd het een onderwerp dat de huiskamer binnendrong. Mijn jongste zoon mengde zich ook in het gesprek en zei: ‘Het is toch gek dat we dit vroeger gewoon vonden.’ En hij voegde daar vervolgens de filosofische opmerking aan toe: ‘Maar wat is gewoon?’ Daarna was het even stil en kwam hij terug met een antwoord: ‘Eigenlijk is niets gewoon.’ Ik vroeg hem waarom hij dat vond, maar de reactie liet even op zich wachten. Het Jeugdjournaal was inmiddels bij een item over rapper ‘Snelle’ en dat trok de aandacht.

Toen het optreden voorbij was, kwam er alsnog een reactie van mijn zoon: ‘Mam, als we nou eens stoppen met proberen te benoemen wat gewoon is dan vinden we niets meer vanzelfsprekend.’ Ik keek hem nog steeds een beetje vragend aan en hij vervolgde: ‘Als we er nou eens van uitgaan dat er geen gewoon en geen normaal bestaat dan wordt het veel eenvoudiger. We stoppen dan met mensen in hokjes stoppen.’ ‘Dan zou er ook veel minder racisme en homohaat en welke haat dan ook zijn.’

Ik keek mijn zoon aan en nog voordat ik antwoord kon geven, kwam mijn oudste zoon met zijn reactie op de beschouwing van zijn broertje: ‘Ja, dat is helemaal waar. Ik ben zo vaak gepest op school omdat ik niet normaal was en gewoon moest doen volgens de pesters.’ Het gesprek dat begon met een item uit ons niet zo trotse Nederlandse verleden, was gekanteld naar het nu, aangevuld met een pijnlijke persoonlijke ervaring van mijn oudste zoon. Ik slikte een keertje extra na deze ontwapende bijdragen aan het gesprek. Dierbaar hoe mijn mannen naar de wereld kijken en hun vertaling maken van het nieuws dat tot hen komt.

Vanochtend sloeg ik de Volkskrant open en las over het tenenkrommende debat dat zich gister in de Kamer had afgespeeld over institutioneel racisme. Een raak verslag over hoe de Kamer de slachtoffers van institutioneel racisme in Nederland allesbehalve een dienst hadden bewezen. Zelden stond racisme zo hoog op de politieke agenda, maar politici waren niet in staat gebleken om op een respectvolle manier met elkaar in debat te gaan. Het werd een debat waarin het ‘eigen gelijk’ belangrijker was en oude koeien werden uit moddersloten getrokken.

Je hoeft het niet eens te zijn met de stelling dat je de mens van nu verantwoordelijk maakt voor het gedrag van toen, maar een goed gesprek erover is toch het minste wat je mag verwachten. De Kamer bleek, zeker in de eerste termijn, niet in staat om het debat naar een niveau te tillen waar het onderwerp in het licht van nu werd geplaatst. Door vooral te blijven hakketakken over wie wel of geen excuses wilde maken voor de slavernij, ging men voorbij aan het bredere doel: antwoord bieden op de problematiek van nu. Het is een feit dat sinds de afschaffing van de slavernij nog steeds geen einde is gekomen aan racisme, uitsluiting en uitbuiting van groeperingen.

Als de kleinkinderen van onze kinderen straks de geschiedenisboeken openslaan, dan zullen ze lezen over nu. Over de moderne slaven die ervoor hebben gezorgd dat we bij de Action voor niet realistische bedragen onze slag konden slaan. Dat we bijna het hele jaar door tegen dumpprijzen kleding konden kopen bij verschillende textielketens. Dat George Floyd in 2020 leefde voordat hij bruut werd vermoord door een witte man die vond dat hij boven de wet stond. Dat als je Mohamed of Bouchra heet, maar je CV gelijk is aan dat van Willem-Jan of Anne, je ook in 2020 nog steeds significant minder kans maakte om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek. En dat er toen nog steeds mensen waren die dat gewoon of normaal vonden.

Ik denk terug aan het gesprek met mijn zoons en begrijp steeds beter wat mijn jongste zoon bedoelde en hoe pijnlijk het gepest van mijn oudste zoon heeft gevoeld. En met hem voor nog vele andere kinderen die worden ‘gepakt’ omdat ze niet voldoen aan een standaardplaatje. Wie is verantwoordelijk voor het plaatje waarmee wij onze kinderen de wereld in sturen? De kinderen die straks ons land gaan besturen? Hoe voeden zij de volgende generatie op en hoe staan de vertegenwoordigers van die groep straks in de Kamer?

Er is nog wel wat missiewerk te doen. Het Jeugdjournaal en het gesprek dat erop volgde met mijn kinderen, geeft gelukkig ook reden tot optimisme. Er is zo veel te winnen als we ruimte laten voor verwondering en verbazing én in gesprek blijven gaan met elkaar. En dat laatste op een manier waarbij we luisteren centraal stellen in plaats van het eigen stemgeluid. Ik stel voor dat de politiek geregeld om 19.00 uur even incheckt bij het Jeugdjournaal en luistert naar de wijze waarop zware onderwerpen daar worden belicht.

Ik gun mijn kinderen een land en een wereld waarin niet wordt gedacht in kleur, afkomst of geaardheid, maar in mogen zijn wie je bent en worden wat je wilt. Beoordeeld worden op wat je doet en niet veroordeeld worden om wie je bent. Dialoog om verbinding aan te gaan in plaats van monologen om polarisatie aan te wakkeren. Laat ons trots zijn op ons land. Ik weet zeker dat het kan, maar we moeten het wel willen. Te beginnen bij de mensen die ons land besturen. Hoe? Nou, gewoon, doen!

De geschiedenis kunnen we niet veranderen, daar mogen we ons met terugwerkende kracht voor schamen, maar de toekomst daar zijn we zelf verantwoordelijk voor. Misschien door het voorstel, van D66 en GroenLinks, om 2023 om te dopen tot herdenkingsjaar voor het slavernijverleden, niet alleen af te doen als ‘goed idee’. Realiseer 150 jaar na de afschaffing van de slavernij een jaar met tentoonstellingen, voorstellingen en andere initiatieven. En koppel dat aan activiteiten op scholen. Goed voor de hard getroffen cultuursector en leerzaam voor jong en oud. Ik kijk nu al uit naar het verslag van het Jeugdjournaal.

 

De basis

Toen ik vanochtend de krant opensloeg, las ik een artikel over de terugkeer van Arjen Robben naar FC Groningen. Deze talentvolle voetballer had, getart door blessures, in 2019 afscheid genomen van FC Bayern München. Het bleek een afscheid van het grote betaald voetbal, maar het maakte de weg vrij voor een terugkeer op het nest dat hem heeft gevormd. Na de persconferentie op zondagmiddag waren binnen een halve dag meer dan 2100 extra seizoenkaarten van FC Groningen verkocht. Het verhaal over deze sympathieke voetballer bezorgde mij een grote glimlach en ik dacht terug aan mijn zondag.

Gisteren was ik met mijn gezin een dagje ‘boven de rivieren’. Even terug in mijn studentenstad Utrecht. Na 25 jaar stond ik weer bovenop Dom. Ditmaal omhuld met torenhoge steigers, vanwege een omvangrijke renovatie. Met mijn kinderen keek ik uit over de stad waar ik zes jaar van mijn leven heb doorgebracht. Ik vertelde mijn zoons over waar ik had gewoond en dat ik tegenover de Dom was afgestudeerd. Van de zes studentenjaren was ik bijna twee jaar niet in de stad, maar voor mijn gevoel heb ik er heel lang gewoond.

Mooie herinneringen bewaar ik aan mijn studententijd. Vooral het eerste jaar is me heel sterk bijgebleven. Ik begon in een gezellig studentenhuis, vond een leuke bijbaan en naast mijn studie speelde ik in het eerste team van hockeyclub Laren. Een studie, een nieuw huis, een studentenbaan, een nieuwe stad en een hockeyen in de hoofdklasse. Het viel allemaal samen, maar het was allesbehalve een opgave.

Met een warm gevoel kijk ik terug op mijn studententijd en alle ervaringen en dierbare contacten die ik toen heb opgedaan. De onbevangenheid en het energielevel waarmee ik destijds in het leven stond, overviel me daar bovenop die toren. Vanaf een bouwsteiger op ruim 100 meter keek ik uit over de stad die mij voor een belangrijk deel heeft gevormd. Misschien was het niet de stad en meer de tijd die me heeft gevormd, maar ik zal die fase in mijn leven voor altijd blijven koppelen aan de Domstad.

Aan het einde van mijn eerste jaar in Utrecht raakte ik ernstig geblesseerd. Ik had al jaren een probleem aan mijn voet/enkel, maar ik had mijn sport tot dan toe nooit hoeven opgeven. Ik kon op mijn 16de weliswaar niet meer in de spits spelen, maar een plek in het doel bleek de oplossing voor dat probleem. Misschien was ik nooit op het hoogste niveau geëindigd als ik in de voorhoede was blijven staan. Om maar een bekend citaat uit de voetbalport te gebruiken: ‘Elk nadeel heb z’n voordeel’.

Lange tijd had ik een voordeel ervaren van mijn noodgedwongen keuze, maar daar zat kennelijk een houdbaarheidsdatum aan vast. Ook voor een keeper op dat niveau zijn de traingingen intensief. Het maakte dat ik op mijn 20ste alsnog mijn geliefde sport moest opgeven. Alleen was het op dat moment nog helemaal niet duidelijk dat mijn afscheid definitief was. Ik zou een operatie ondergaan, een hockeyseizoen missen en daarna weer terugkeren naar mijn team.

Het liep anders. Ik betrad nooit meer een hockeyveld, maar daarentegen nog menig keer een operatiekamer. De zomer van 1996 is voor mij een markering in de tijd. Ik zette alles in op een goed herstel en bleef hoop houden dat ik terug kon keren naar mijn sport. Ook toen tijdens mijn studententijd nog een aantal operaties volgden. Uiteindelijk brachten de operaties tijdens mijn studietijd in totaal zo’n twee jaar immobilisatie met zich mee. Zat ik als student lange periodes weer thuis bij mijn ouders, omdat ik gewoonweg niet echt in staat was om mezelf te redden zonder hulp.

Wat had ik destijds graag de beschikking gehad over digitaal onderwijs. In plaats van doorstuderen op afstand, moest ik keer op keer mijn studie opschorten. Plannen bijstellen en hopen dat je net op tijd weer hersteld was om fysiek deel te kunnen nemen aan verplichte colleges of dat ene belangrijke tentamen. Het had een schaduw over mijn studententijd kunnen werpen, maar het tegendeel gebeurde: ik bleef de zon voelen.

Door uit te gaan van wat er wél was, kon ik mijzelf steeds opnieuw motiveren om mijn studie weer op te pakken. Ik had het zo enorm naar mijn zin in Utrecht dat ik hoe dan ook die studie wilde afmaken. Mijn studententijd verliep misschien niet helemaal conform plan, maar de handdoek in de ring gooien was geen optie. Zes jaar na de start nam ik vol trots mijn bul in ontvangst in het Academiegebouw. Gisteren op het Domplein keek ik naar het statige gebouw en voelde het geluk van toen.

Met het afronden van mijn studie brak er een nieuwe fase aan. Mijn werkende leven begon met een traineeship bij de Rijksoverheid en het hockeyveld verdween steeds meer uit beeld. Af en toe bezocht ik nog eens een wedstijd, maar ik beleefde daar steeds minder plezier aan. Ik wilde geen toeschouwer zijn, maar zelf op dat veld staan. Toen de hoop op terugkeer was vervlogen, deed het pijn om te kijken. Ik vermeed het hockeyveld en stortte me op mijn werk.

In mijn eerste baan werd ik bewust in het diepe gegooid onder de noemer ‘leerzaam’. Ik pakte veel projecten op en leerde snel. Toen bleek voor het eerst hoe vormend mijn tijd in Utrecht was geweest. Zodra een project anders liep, raakte ik niet in paniek maar schakelde ik snel en paste de doelen aan. Als er ergens weerstand was, ging ik op zoek naar waar mensen energie van kregen. Lijken in de kast vond ik niet eng en onmogelijke deadlines zag ik als sport.

De basis die in Utrecht is gelegd, draag ik nog altijd met me mee. Bovenop de Domtoren, uitkijkend over die mooie stad, werd ik me daar weer even heel bewust van. De onbevangenheid van toen is in afgelopen jaren menig keer op de proef gesteld, maar de basis is bepalend gebleken. Die basis heeft ertoe bijgedragen dat ik altijd weer een nieuwe weg heb weten te vinden voor mezelf. Zowel privé als bij verschillende werkgevers en nu als Strategic Friend. En tegenwoordig kan ik ook vanaf de zijlijn weer volop genieten van een hockeywedstrijd.

Gisteren keerde ik even terug naar ‘Utereg mijn stadsie’ en genoot van het moment. Het gaf mij nieuwe energie om vandaag weer vol aan de slag te gaan. Het artikel over Arjen Robben zette me aan tot het schrijven van dit blogbericht. Fijn om weer wat te schrijven.

Afgelopen anderhalve week is de aandacht uitgegaan naar de achterkant van mijn website en Strategic Pen is verhuisd naar de basis: Strategic Friend. Dezelfde blog in een nieuw jasje, nu geïntegreerd op de website van Strategic Friend.

Soms heb je het even nodig dat iemand je erop wijst dat een aparte website voor een blog misschien helemaal niet zo handig is. De website Strategic Friend is mijn basis en mijn blog Strategic Pen hoort daar thuis. Klinkt logisch en zo voelt het nu ook.

Dankjewel voor je advies Jizzca.

Why?

Met enige regelmaat vertellen mijn kinderen mij waar ze die nacht over hebben gedroomd. Soms zijn het vervelende dromen, maar meestal gaat het over iets waar ze naar verlangen of iets wat ze intens hebben beleefd. In de nacht verwerken we van alles in ons onderbewustzijn en ieder mens droomt zo’n 2000 dromen per jaar. Vaak kunnen we het ons niet herinneren, maar soms wel.

Bij mij keert al jaren een droom terug van een zomerhuis. Niet te groot en luxe, maar wel comfortabel. Een goed bed, een veranda in de avondzon, een plank vol fijne boeken en een plek om rustig te kunnen schrijven. Ergens vlakbij een strand staat dat houten zomerhuis, met witte vloerdelen geschuurd door het zand. Ik zie mijzelf in dat plaatje in goed gezelschap en anders liever alleen.

Altijd als ik mij in de ochtend deze droom herinner, begint de dag met een glimlach. Hoe fijn dat je bijna tot in detail kunt uittekenen hoe die droomplek eruitziet. Dat alleen al bij de gedachte eraan het geluksgevoel instant wordt aangewakkerd. Hoe anders is dat als je wakker wordt na een droom die een stuk minder prettig is. Wat sta je dan compleet anders op.

Vanochtend werd ik wakker in ‘mijn’ zomerhuis, met de zonnestralen die door de kieren van de gordijnen een patroon op het plafond maakten. Wat was ik graag m’n bed uitgestapt, het strand opgelopen en de dag met een duik in zee begonnen. Een heerlijke gedachte en voor mij de aansporing om weer aan de slag te gaan vandaag: op een dag zit ik in dat zomerhuis!

Ik dacht terug aan een gesprek dat ik een dag ervoor met mijn vriendin voerde. We hadden het over onze bedrijven en hoe we worden opgeslokt door alles wat afleidt om te komen tot nieuwe opdrachten. Allebei een gezin met jonge kinderen en partners die allesbehalve negen tot vijf banen hebben. Altijd liggen er legio logistieke klusjes te wachten die ook moeten. Legitimatie om dit voorrang te geven is snel gevonden, want die opdracht is er toch nog niet. 

Het risico van selffulfilling prophecy ligt op de loer. De truc is om het om te draaien. Wat maakt dat níet al dat andere de nadruk krijgt, maar dat de schijnwerper weer vol op je bedrijf komt te staan? Al pratende kwamen we op het belang van het geloof in wat je doet en wat je drijft. In het veel geprezen boek ‘Start with Why’ van Simon Sinek (2009) wordt hier aan de hand van het model van de Golden Circle uitgebreid aandacht aan besteed.

Het gebeurt maar al te vaak dat we ons richten op het wat en vervolgens het hoe en de stap van het waarom nauwelijks maken of helemaal overslaan. Hoe langer we in gesprek waren, hoe meer ik me realiseerde dat ook ik vooral de nadruk op het wat en hoe heb gelegd. Waarom ik doe wat ik doe, heb ik tot nu toe veel minder expliciet uitgedragen.

Toen de koffie op was, had ik een opdracht voor mijzelf: uitspreken waarom ik doe wat ik doe en waarom die klant met mij in gesprek wil. Dat ik organisatieadvies kan geven is niet uniek en dat ik meer kan dan dat alleen, daar ben ik ook geen uitzondering in. Maar wat maakt dat wat ik doe, ertoe doet? Voor mijzelf én voor anderen? Waarom ben ik Strategic Friend begonnen?

Dat werd vanochtend duidelijk, toen ik uit mijn terugkerende droom ontwaakte. Zodra ik denk aan ‘mijn’ zomerhuis en die plek, dan gaat er wat stromen. Het zomerhuis staat voor onafhankelijkheid, ergens voor durven gaan, het onmogelijke voor mogelijk durven houden en in mijn geval die vaste baan durven opzeggen. Dát denken in kansen pas ik dagelijks toe in mijn bedrijf en bij een opdrachtgever.

Ik ben bevlogen en inspireer en geef de verwondering de ruimte; niets is onmogelijk ook als het soms wel zo lijkt. Ik daag opdrachtgevers uit om buiten de gebaande paden te denken en af en toe ook geschaafde knieën op te lopen. Soms is de pijnlijke vraag nodig om te komen tot een pijnvrije en duurzame oplossing. 

Door de dialoog te starten, niet standaardvragen te durven stellen, goed te luisteren en creatieve oplossingen te verzinnen, help ik om nieuwe ideeën vorm te geven. Er ligt een vraag op tafel en ik ga op zoek naar de vraag erachter. Aan de hand van drijfveren doorgronden we het vraagstuk en vinden we een weg.

De ene keer begeleid ik een brainstorm of inspiratiesessie, de volgende keer werk ik mee aan strategische communicatie of help ik om nieuw beleid te ontwikkelen. Ook als het gaat om teamontwikkeling, kan ik een passend traject in gang zetten. Ik bundel mijn expertise met de kracht van de organisatie en zet mijn netwerk gericht in.

Met een brede interesse, een frisse blik en een dosis nieuwsgierigheid, verken ik situaties en organisaties en kom ik tot een snelle analyse van wat er speelt. Ik word enthousiast van niet alledaagse projecten en vraagstukken met maatschappelijke impact.

Strategic Friend maakt dat ik dagelijks bezig ben om mijn droom te leven. De bevlogenheid waarmee ik mijn eigen dromen najaag, neem ik mee tijdens de gesprekken. Het realiseren van ‘mijn’ zomerhuis, staat symbool voor de drijfveer van Strategic Friend: of we vinden een weg of we maken er één. 

Wil jij kennismaken met de aanpak van Strategic Friend? Ik drink graag een kop koffie met je. Ik houd van goede espresso’s en jij?

Handrem

Sinds begin deze week draaien de basisscholen weer op volle toeren. Op de woensdagmiddag na, is bij mij het huis weer leeg tussen kwart over acht en kwart over drie. Een nieuwe situatie na een periode van twee keer de lengte van een zomervakantie. Het was geen vakantie, voelde anders dan normale werk- en schoolweken, maar we hadden een goed evenwicht gevonden.

Ik merk dat ik deze week een beetje zoekende ben geweest. Opeens was er tijd voor dingen waar voorheen geen tijd voor was. Ik hoefde geen schoolwerk te begeleiden en kon weer stukken schrijven wanneer ík dat wilde. Geen afleiding van ontelbare vragen die kinderen nou eenmaal altijd hebben. Ik kon weer naar een terras en na twaalf weken online shoppen werd het misschien ook eens tijd voor een echt winkelbezoek.

In plaats van met groot enthousiasme de ruimte te benutten, viel ik in een soort verlammend gevoel. Ik herkende het van de eerste periode vlak nadat de scholen sloten en de maatschappij voor onbepaalde tijd zo goed als ‘op slot’ ging. Het was wennen. Digitaal bleven we open, maar fysieke afspraken werden ontmoedigd en de deuren moesten zo veel mogelijk gesloten blijven voor niet huisgenoten. We namen voor onbepaalde tijd afscheid van contact dat altijd zo vanzelfsprekend was en alledaagse dingen werden opeens niet meer zo alledaags.

Zo’n twee weken nadat onze premier in zijn toespraak de handrem had aangetrokken en we overgingen tot een intelligente lockdown, had ik m’n nieuwe ritme gevonden. De verlamming maakte plaats voor rust en er ontstond ruimte voor nieuwe ideeën. De saamhorigheid die voelbaar was in de samenleving deed goed. Ook ik was veel meer bezig met het zoeken van verbinding en het denken in kansen. Het nieuwe evenwicht begon zelfs natuurlijk te voelen.

Tot nu. Ik werd me er deze week van bewust dat het verlammende gevoel weer terug is. Alleen het duurde even voordat ik het kon duiden. We mogen meer, maar waarom voelt het niet als een bevrijding? Na vier dagen met een onbestemd en vermoeid gevoel te hebben rondgelopen, wist ik het vandaag opeens: ik heb last van de handrem die nog op mijn vrijheid staat. Er mag meer, maar er hangt een zware deken overheen. We mogen meer, maar tot hoever? Wat was, is niet meer vanzelfsprekend, maar wat is, is zeker niet vanzelfsprekend geworden.

De handrem die nodig was om niet over te gaan tot de noodrem, een totale lockdown, begint belemmerend te werken. Het zorgt steeds vaker voor wrevel en onbegrip. Immers de handrem slipt af en toe, bijvoorbeeld in de luchtvaart of de Efteling, maar staat weer strak als het om theaters of kermissen gaat. De handrem is eraf voor het basisonderwijs, maar het voortgezet onderwijs ruikt nog dagelijks het rubber als ze probeert om ‘intelligent’ om te gaan met de maatregel. En zo zijn er nog talloze voorbeelden.

Op dit moment zijn ze in Den Haag druk bezig met het ontwerpen van een coronawet. In deze wet wordt de 1,5 meter regel opgenomen, die nu via een noodverordening in gebruik is. Een wet om voor de lange termijn een juridische basis te hebben voor een regel die ons veiligheid zou moeten bieden. Ik geloof niet in zo’n wet en ik denk dat we hiermee al het draagvlak om zeep helpen dat afgelopen maanden is opgebouwd.

Als zelfs door de grote voorman van de IC’s, het signaal wordt afgegeven dat we de druk op de zorg niet langer als argument kunnen opvoeren voor het hanteren van de handrem, waarom dan een wet hiervoor maken? Ja het virus is er nog en de groepsimmuniteit of een vaccin is nog lang niet in zicht, maar gaat een wet ons er doorheen slepen? Ik geloof er niets van. Sterker nog, ik geloof dat we met een coronawet afstevenen op een hellend vlak. Dat op het moment dat we een tweede golf krijgen, de handrem lam is geworden en ons niet meer op koers kan brengen. Met alle gevolgen van dien.

De noodverordening was er om te voorkomen dat we aan de noodrem moesten trekken. Een tijdelijke maatregel die niet gemaakt is voor structureel gebruik. En dat blijkt. Op dit moment slipt de handrem regelmatig en lijkt er steeds vaker sprake van willekeur. Daarnaast is het argument van traceerbaarheid een non-argument sinds de handrem er gedeeltelijk al af is. Hoe ga je alle contacten die er nu zijn herleiden zonder technologie? We hebben na het omstreden ‘appathon weekend’ medio april, niets meer vernomen over actief bouwen aan een corona app.

Tijdens de appathon bleek dat de Nederlander niet zit te wachten op grote inmenging van de overheid, op het moment dat we ook zelf onze verantwoordelijkheid kunnen nemen. Toen de situatie acuut was en de burger niet kon overzien wat er zich in sneltreinvaart ontwikkelde, was er behoefte aan richting vanuit de overheid. Maar diezelfde burger leeft in een land waarin zelfbeschikking en onafhankelijkheid niet voor niets diepgeworteld zijn.

Waarom wordt niet steviger ingestoken op het nemen en dragen van eigen verantwoordelijkheid? We zijn ons veel bewuster geworden van het effect van betere hygiëne en het zelf bewaren van afstand om besmetting te voorkomen. Het gedrag van de burger is veranderd en het besef is er dat we risico’s lopen. Beloon die bewustwording en help om dit goed in te zetten op een terras, bij een bezoek aan de kapper, tijdens een afspraak met vrienden of wanneer een demonstratie plaatsvindt. Handhaven is reactief en ontmoedigt eigen verantwoordelijkheid.

De handrem zorgde ook voor een stevige rem op de economie. Dat was verdedigbaar zolang de volksgezondheid onder hoogspanning stond, maar dat argument is niet meer actueel. Als we de economie weer willen laten draaien, geef dan de kans om vol gas te geven. We kunnen niet wachten tot we alles zeker weten, maar het lijkt erop dat dat wel de leidende koers vanuit Den Haag is. Help daarentegen de winkeleigenaar, de cafébaas, de rector, de theatermaker en de  kermisexploitant om op basis van eigen verantwoordelijkheid de maatschappij weer te laten draaien.

Het evenwicht dat ontstond na 16 maart voldeed bijna drie maanden, maar voldoet nu niet meer. Er is disbalans ontstaan doordat de context is gewijzigd. We hebben het virus niet onder controle, maar we zijn wel weer in control en hebben plannen klaarliggen om tijdig bij te sturen. Geef ruimte waar het kan en vertrouw op de bereidheid tot aanpassing als het móét. We hebben laten zien dat we dat heel goed kunnen.

Trek niet te lang aan een handrem, want dan gaat ie kapot. Zet ‘m in als het echt nodig is en zorg ervoor dat je erop kunt vertrouwen dat ie het dan nog doet. Laten we blijven monitoren waar mogelijk, maar laten we vooral ook niet vergeten om weer in kansen te denken en daarnaar te leven. Verpak de angst niet in een wet, maar koers op het gezond verstand.

Van buiten naar binnen

In tijden van crisis moet er snel worden gehandeld. Veelal moeten besluiten worden genomen op basis van beperkte informatie. Morgen is het exact 12 weken geleden dat de deuren van alle scholen werden gesloten. Er was veel angst onder de bevolking en in de context van toen was het een begrijpelijke beslissing.

In de weken die erop volgden, werd steeds duidelijker dat er een kanttekening kon worden geplaatst bij de sluiting van scholen en opvang voor jonge kinderen. Op basis van de beschikbare gegevens, was het de vraag of het sluiten van basisscholen en kinderopvang noodzakelijk was om snellere verspreiding van het coronavirus tegen te gaan.

Toen steeds meer cijfers erop wezen dat jonge kinderen over het algemeen maar zeer beperkt van invloed zijn op de verspreiding van corona, werd de roep om heropening van de basisscholen en kinderopvang alleen maar groter. Belangrijkste argument was dat een groep jonge kinderen zeer veel nadeel had van het afstandsonderwijs. In sommige gevallen was er thuis zelfs sprake van een onhoudbare of zeer schrijnende situatie.

Na twee maanden werd besloten dat de kinderen tot en met 12 jaar weer gedeeltelijk naar school mochten en dat kinderopvang weer geopend zou worden voor iedereen. Vier weken nadat de kinderen zo’n twee dagen per week naar school mochten, gaan vanaf morgen alle kinderen weer volledig naar school. Uitzonderingen daargelaten, die vanwege verhoogd gezondheidsrisico nog in zelfisolatie zitten.

Morgen is voor de basisscholen het afstandsonderwijs officieel afgelopen. Er zal weer volop les worden gegeven in de klassen. Dit klinkt voor veel ouders als muziek in de oren en de heropening is voor sommige kinderen bittere noodzaak. De verwachting is dat de meeste kinderen weer snel gewend zullen zijn aan het dagelijkse schoolritme.

Is hiermee het hoofdstuk afstandsonderwijs definitief afgesloten?

Voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en studenten in het beroeps- en hoger onderwijs in elk geval niet. Deze leerlingen en studenten zullen, in elk geval gedeeltelijk, tot en met de zomervakantie deze vorm van onderwijs behouden. Leidend argument voor deze vorm van onderwijs, is een virus dat nog niet onder controle is. Het ontbreken van een vaccin of onvoldoende opgebouwde immuniteit, vormen vooralsnog de onderbouwing om deze groep letterlijk op afstand te houden.

Wat gebeurt er met het afstandsonderwijs zodra de gezondheidsrisico’s zijn ingeperkt?

Ik hoop dat we daar in de komende tijd volop het debat over mogen voeren. Ik geloof in de kracht van deze vorm van onderwijs, mits er op de juiste manier mee wordt omgegaan. Er is nog veel te winnen in deze vorm van onderwijs. Er is nog nooit zoveel momentum geweest als nu. De aanleiding is naar, maar dat mag geen excuus zijn om niet kritisch te kijken naar wat deze vorm van onderwijs ons kan bieden voor de toekomst.

In het hoger onderwijs en contractonderwijs, wordt er al langer succesvol met afstandsonderwijs gewerkt. Daar zijn zeker ook verbeteringen denkbaar, maar ik zou graag aandacht willen vragen voor het basis- en voortgezet onderwijs. Voor deze groep -leerling en leerkracht- was het afstandsonderwijs een compleet nieuwe ervaring. Graag denk ik mee over hoe we afstandsonderwijs voor het basis- en voortgezet onderwijs kunnen behouden.

In de beginfase van het afstandsonderwijs zijn vooral de nadelen in beeld gebracht. De nadelige consequenties voor kinderen die thuis geen goede begeleiding konden krijgen of waar geen rustige of veilige omgeving was om te leren. Laten we afgelopen 12 weken kritisch evalueren, lessen trekken uit de afgelopen maanden en ons richten op de kansen.

Het debat voeren over de kansen van afstandsonderwijs, kan niet zonder aandacht te hebben voor kansengelijkheid en een veilige leeromgeving voor het kind. Dat is een randvoorwaarde. Maakt dat het debat meteen onmogelijk? Ik ben van mening dat het hand in hand kan en móet gaan.

Het huidige onderwijs op school, zorgt ook niet per definitie voor de meeste kansengelijkheid. Er zijn veel kinderen die in de afgelopen maanden zijn opgebloeid. Kinderen die meer ruimte kregen om werk te doen op hun niveau, zonder de groepsdruk van de klas te voelen. Gepeste kinderen die eindelijk weer op adem kwamen. Kinderen die meer konden bewegen en daardoor rustiger konden werken.

Er zijn genoeg argumenten aan te voeren die een positief licht werpen op afstandsonderwijs, maar daarmee zijn we er uiteraard niet. Er zijn nog behoorlijk wat stappen te zetten, willen we zorgen dat dit onderwijs op een goede manier landt. Zodat deze vorm van onderwijs op de lange termijn voordelen voor het individu en de maatschappij oplevert.

Alleen al een rondvraag in mijn eigen omgeving levert een diversiteit aan ervaringen met afstandsonderwijs op. Zelfde niveau school, maar compleet andere invulling van het onderwijs. In sommige gevallen bleek het contact met de leerling zo marginaal, dat je je mag afvragen waar de begeleiding vanuit school was gebleven. In andere gevallen werd er wel veel onderwijs gegeven, maar was de vorm niet voldoende afgestemd op de situatie.

Het afstandsonderwijs heeft ongevraagd voor een extra kritische blik van de ouder gezorgd. Ouders hadden opeens veel meer inzage in het onderwijs. Soms leidde dit tot verkeerde aannames of conclusies, maar veelal leverde het ook waardevolle inzichten op. Ook schoolleiders en leerkrachten hebben elkaar onderling van een ‘andere kant’ leren kenen. Wie was er in staat om te schakelen naar deze vernieuwende vorm van onderwijs? Hoe werden lessen gedeeld en hoe was de steun onderling?

Het zou mij veel waard zijn als we vanaf morgen niet vanzelfsprekend teruggaan naar waar we vandaan kwamen. Er is zo veel ontwikkeld in een korte periode onder een enorme druk. Het is niet meer dan logisch dat er veelal is gehandeld naar wat haalbaar was gegeven de context. Nu is het tijd om te kijken of we de pareltjes kunnen behouden en de positieve invloed van buiten, binnen de school kunnen trekken.

Wat zou het mooi zijn als de leerkracht beschikking krijgt over deze vorm van onderwijs en dit gericht kan inzetten. Dat de ouder de kans heeft om tot afstandsonderwijs over te gaan, zonder dat meteen de leerplichtregels de boventoon gaan voeren.  Dat het kind dat nu afhaakt door te veel prikkels in de klas, straks ‘gewoon’ naar school kan door een of twee dagen per week thuis volwaardig onderwijs te volgen. Of dat het chronisch zieke kind zo veel mogelijk kan deelnemen aan het onderwijs van zijn school.

En als we in de -nabije- toekomst als maatschappij nog eens voor een situatie komen te staan dat we alle schooldeuren moeten sluiten, dat we er dan klaar voor zijn. Dat we gebruik maken van de ervaringen die buiten de schoolmuren zijn opgedaan. We de technologie in de meest optimale vorm kunnen benutten. We geen tijd verloren laten gaan aan dat wat we nu kunnen regelen. Zodat we direct aandacht kunnen hebben voor die groepen die in tijden van crisis het zwaarst worden getroffen.

Kaarsjes

Vandaag ben ik jarig! Met uitroepteken, omdat ik er bewust bij stilsta. Dat is anders dan de afgelopen jaren. Dan vierde ik het niet of een stuk minder bewust. Als mijn familie en vrienden de kans kregen, dan hingen ze de slingers op en ging ik alsnog overstag. Dan had ik toch verjaardag gevierd en ook zeker genoten van de gezelligheid, maar het moment markeren had ik niet zelf gedaan.

Vandaag is het anders. Vandaag markeer ik deze dag. Ik merk dat de afgelopen maanden veel met me hebben gedaan. Doordat corona in sneltreinvaart de wereld in de greep kreeg, is ook het vieren van feestjes lange tijd onbereikbaar geweest. Nu we langzaam weer meer ruimte mogen pakken, kwam mijn verjaardag dit jaar ook opeens in een ander licht te staan.

Gisteren was de eerste dag dat de terrassen opengingen en dat we tot 30 mensen met elkaar mochten zijn. Ik heb het terras links laten liggen, maar in de geleende tuin van m’n broer wel met mijn familie verjaardag gevierd. Dat was het eerste moment dat we iedereen weer zagen sinds 16 maart. Wat alle 44 verjaardagen ervoor zo vanzelfsprekend was geweest, was het nu opeens niet.

We waren ons er allemaal van bewust dat we weer bij elkaar konden zijn. Ook waren we ons ervan bewust dat we nog steeds afstand moesten houden. Iets wat lastig blijft, als het mensen zijn die zo dichtbij je staan en die je al zo lang niet hebt kunnen zien. Dat leidde meteen ook tot een beetje onwennige begroetingen. Maar we zaten wel met z’n allen in die grote tuin, genoten van het weer en dat het ‘weer’ kon.

Ik vierde mijn verjaardag op Tweede Pinksterdag, een dag voor de echte datum, en deed dat bewuster dan ooit. Ik had het zelf georganiseerd en vond het ook belangrijk om dit jaar zelf de slingers op te hangen. Alleen toen ik de kaarsjes op de taart uitblies, stond ik in gedachten ook even stil bij wat er nog allemaal gaande is in de wereld. Gister deed ik dat in gedachten, vandaag doe ik het via deze digitale pen.

Mijn verjaardag maakte me er eens temeer van bewust in welke gelukkige omstandigheden ik leef. Ik heb de vrijheid om het leven te vieren en in sommige jaren heb ik de kaarsjes nauwelijks aangestoken of bewust uitgeblazen. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan zijn er grote groepen mensen die het leven willen vieren, maar de kans niet of nauwelijks krijgen. In sommige gevallen zelfs veel te vroeg hun laatste verjaardagskaars hebben uitgeblazen, vanwege hun huidskleur.

George Floyd stierf omdat iemand hem het leven op brute wijze ontnam. Iemand met macht die zichzelf boven wet plaatste en waarbij alles erop wijst dat het voortkomt uit racisme. Een ongelooflijk trieste gebeurtenis die helaas niet op zichzelf staat. Een onacceptabele gedachte dat mensen zo met elkaar omgaan en dat blijkt ook uit de vele protesten die in korte tijd hebben plaatsgevonden.

Veelal was er sprake van vreedzame demonstraties, maar er vonden ook nare plunderingen plaats. Diepe frustratie, boosheid en onmacht die de vernieling niet goedpraten, maar zo pijnlijk duidelijk maken hoe diep het zit. Dat zelfs een getroffen ondernemer zegt: ‘Ik ben verdrietig dat m’n zaak stuk is, maar ik heb begrip voor de boosheid.’ Zo anders was het begrip in Washington. De man in het Witte Huis besloot om met harde hand op te treden. Heel bewust wordt het activisme harder aangepakt dan hetgeen de oorzaak is voor alle onvrede.

Complottheorieën gonzen al dat tot plunderingen wordt aangezet door diezelfde overheid die nu met harde hand ingrijpt. Een land in crisis heeft er een nieuwe crisis bij en de Afro-Amerikaanse gemeenschap wordt dubbel getroffen: onevenredig veel coronadoden door minder toegang tot goede zorg en racisme -met bijbehorend geweld en uitsluiting- dat altijd op de loer ligt. En dan word je ook nog hard aangepakt voor het verzet tegen al het onrecht dat je wordt aangedaan, omdat het Witte Huis geen antwoord heeft op haar eigen wanbeleid.

Het deel van de witte macht met haar zelf verworven rechten, maakt dat we met z’n allen moeten opstaan om racisme een halt toe te roepen. Onze steun te betuigen aan diegenen die worden gediscrimineerd en geen gelijke rechten hebben. Met alle berichten op social media zie je dat ook gebeuren, maar het kan nooit te veel zijn. Zo dachten ook de betogers die gistermiddag naar de Dam kwamen voor een vreedzame demonstratie.

Het was de burgemeester die voor een lastig dilemma werd gesteld. Zij moest de afweging maken of de verplichte 1,5 meter ‘belangrijker’ was dan het demonstratierecht. Met haar hart had ze al lang een besluit genomen, maar ze voelde de druk vanuit Den Haag. Ze volgde haar hart, maakte bestuurlijk een afweging en bewaakte het recht van demonstratie. Ze liet hiermee ruimte om een signaal de wereld in te sturen: het belang van Artikel 1 uit de Grondwet

Vandaag staan de kranten vol met boze politici die vinden dat regels niet zijn nageleefd en met boze ondernemers die vinden dat zij zijn benadeeld. We kennen allemaal de 1,5 meter regel, en die gold en geldt voor iedereen, maar soms dwingt de situatie tot pragmatisme. Dat is wat Femke Halsema gisteren deed en ze heeft daarmee niet de angst de bepalende stem gegeven.

Er was ruimte om vreedzaam het signaal af te geven dat racisme nooit meer een stem mag hebben, ook niet in tijden waarin een pandemie al het nieuws domineert. Hoe anders zou het zijn verlopen als strikte naleving van de 1,5 meter regel de boventoon had gevoerd? Doordat het niet escaleerde, is de boodschap van de demonstratie centraal komen staan in plaats van mogelijke rellen en het beteugelen ervan.

Wat was het fijn geweest als dat de koppen van de kranten had gedomineerd. Dat er een moment van bezinning was geweest, voordat er vanuit de veilige kamertjes in Den Haag van alles over de burgemeester werd uitgestort. Ja, de 1,5 meter afspraak is geschonden, maar er is een onderbouwde afweging gemaakt en verantwoordelijkheid genomen door betrokkenen. Had ze het anders kunnen doen? Misschien wel. Beter? Ik weet het niet.

We moeten ons zeker aan regels houden, maar laten we niet vergeten dat de regels nog altijd het middel zijn en niet het doel. En laten we leren van situaties. Niemand wil een nieuwe corona-uitbraak, dat geldt ook voor de burgemeester van Amsterdam, maar er speelt meer in de maatschappij dan alleen corona. Er was sprake van een bijeenkomst die niet escaleerde en voor verbondenheid zorgde. Laat die verbondenheid centraal staan. Juist nu. Als middel tot doel wordt verheven, dan zie je in Amerika waar dat toe kan leiden.

Gister blies ik mijn verjaardagskaarsjes uit, in alle kleuren, en toostte ik op nog veel mooie jaren. Vandaag steek ik bewust diezelfde kaarsjes opnieuw aan voor al diegenen die die jaren niet gegund zijn. De eerste kaars is voor George Floyd.

Laat ze niet zitten

Begin deze week berichtte de Volkskrant dat ruim de helft van alle middelbare scholen niet de ‘normale overgangsnormen’ hanteert in dit coronajaar. De krant baseert deze uitspraak op een enquête die onder alle middelbare scholen is afgenomen.

Ik wil hier niet de discussie starten over de significantie van de cijfers. Met een respons van 149 scholen, ongeveer 20 procent van de middelbare school leerlingen, is er in elk geval sprake van een helder signaal.

Ruim een derde van de scholen geeft aan over onvoldoende gegevens te beschikken om leerlingen goed te kunnen beoordelen. Deze groep heeft besloten dat alle leerlingen overgaan, tenzij een leerling al lang niet meer verscheen op school voordat de coronacrisis begon. Deze scholen onderbouwen hun besluit met het argument dat leerlingen niet de dupe mogen worden van het gewijzigde onderwijsprogramma.

Op 15 procent van de scholen kiest men voor de variant om ouders samen met hun kind mee te laten beslissen over overgaan of zittenblijven. De keuze van de leerling is leidend. Als de keuze van de leerling niet in lijn is met het beeld van de school, dan worden aanvullende afspraken gemaakt. Een kind mag dus altijd overgaan. Ook hier is het uitgangspunt dat de leerling geen nadeel mag ondervinden van het onderwijs op afstand.

Ongeveer 5 procent van de scholen zegt nog geen besluit te hebben genomen over de norm die zij gaan hanteren. Ruim 40 procent wijkt niet af van de standaardnormen, waarbij rapportcijfers leidend zijn en de school een bindend advies geeft. In dit laatste scenario is het afstandsonderwijs geen reden om over te gaan tot een alternatieve aanpak voor het doorstroomadvies.

Onze minister voor basis- en voortgezet onderwijs, heeft gereageerd op de enquête en spreekt zich expliciet uit over de 15 procent die ouders en leerlingen betrekt bij de besluitvorming over doorstroom naar het volgende leerjaar. Een woordvoerder van de minister zei hierover: ‘Als ouders mogen bepalen of hun kind naar de volgende klas gaat, kan dit leiden tot kansenongelijkheid. Vooral mondige en hoogopgeleide ouders zullen daarvan gebruik maken. Dat is niet wenselijk.’

Toen ik dit las voelde ik een frons opkomen, maar toen ik het vervolg van de reactie van de minister las, was ik misschien nog wel meer verbaasd. Op de vraag wat de minister vindt van het afschaffen van zittenblijven, was het antwoord: ‘Leraren zijn de professionals die het beste kunnen beoordelen wat voor een leerling de juiste stap is. Als volgens hen alle leerlingen naar de volgende klas kunnen, dan moeten we erop vertrouwen dat dit kan.’

Het besluit om iedereen over te laten gaan, wordt dus gesteund door de minister zonder een kritische noot. Vervolgens wordt er niet ingegaan op de grote groep scholen die niet afwijkt van de standaardnorm en de kleine groep die nog geen besluit heeft genomen. Waarom laat de minister zich enkel zo kritisch uit over die 15 procent, terwijl de meerderheid van de leerlingen is vertegenwoordigd in de andere groepen? Als je het argument van kansenongelijkheid inbrengt, moet je dan niet juist naar die andere groepen kijken?

Hoe zorg je voor kansengelijkheid als de standaardnorm gehandhaafd blijft? Een school die de bestaande norm hanteert, kan zonder ruimte voor context een leerling een jaar over laten doen. Hoeveel kans heb je om over te gaan als je nu onvoldoende staat omdat je na 16 maart nauwelijks aan leren bent toegekomen? Wissen drie maanden alles uit van wat je daarvoor hebt bereikt? En hoe kritisch kijkt een school naar de kwaliteit van het afstandsonderwijs dat zij heeft geleverd?

Is er dan wel sprake van kansengelijkheid als je besluit dat ongeacht de resultaten, iedereen overgaat naar het volgende leerjaar? Biedt dat voor de individuele leerling echt de beste uitgangspositie? Wat als je in het jaar voor je eindexamen zit en je misschien zonder coronacrisis ook nog wel wat meer tijd had kunnen gebruiken? Of als je in een combinatiebrugklas zit en misschien het hoogste niveau aankunt, maar misschien ook niet? In beide situaties is de juiste bagage en begeleiding misschien nog wel belangrijker dan het ticket voor de volgende klas.

Een school die het zittenblijven voor dit jaar afgeschaft, kan rekenen op bijval van de minister. Hetzelfde geldt voor scholen die niet afwijken van de standaardnorm. Dat in beide gevallen voor het doorstroomadvies niet hoeft te worden gekeken naar de context -de invloed en kwaliteit van het afstandsonderwijs- lijkt daarmee geaccepteerd. Bij beide opties kun je volstaan met standaarden die voor het merendeel van leerlingen positief zal uitpakken. Dat is immers de rationale achter standaarden.

Echter, als het gaat om meer kansengelijkheid, moeten we dan niet juist meer aandacht hebben voor maatwerk in plaats van de standaard? Moeten scholen daar niet veel nadrukkelijker op worden bevraagd door onze minister? Het feit dat ruim 80 procent van de scholen kiest voor een optie zonder inmenging van de ouders en leerlingen, geeft voor mij aan dat het Nederlandse onderwijs -nog steeds- beperkt is ingericht op maatwerk en dialoog met de leerling.

De diversiteit in leerroutes die veel scholen hebben ontwikkeld, zijn niet het maatwerk waar ik op doel. Ik wil niets afdoen aan goede intenties, maar de praktijk wijst uit dat het veelal een effectief marketinginstrument is voor het aantrekken van nieuwe leerlingen. Je kunt het de school ook bijna niet kwalijk nemen dat daadwerkelijke innovaties uitblijven zolang je een schouderklop uit Den Haag ontvangt voor het binnen de lijntjes kleuren. Innovatie binnen gestelde kaders, is een contradictie in zichzelf en verhindert om daadwerkelijke de stap richting maatwerk te zetten.

Nu even terug naar de 15 procent van de scholen die de ouder en kind betrekken bij het doorstroomadvies. Hoe bestaat het dat dit geen bijval krijgt van een minister die kansengelijkheid hoog in het vaandel heeft staan? Juist die scholen die in gesprek gaan met ouder en kind, staan stil bij het individuele belang van de leerling. Er is ruimte voor dialoog over het onderwijs en de context waarin het heeft plaatsgevonden. Door gezamenlijk een plan van aanpak op te stellen, doet de school tevens een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de leerling. Hiermee sluiten ze aan bij wat de kern voor leerroutes zou moeten vormen.

Toch ziet de minister het anders. De minister kiest ervoor om de mondige ouder op te voeren als risico voor deze aanpak, in plaats van de nadruk te leggen op de kansen voor het individu. De kans dat een mondige ouder zijn standpunt inbrengt is zeker aanwezig, maar doet die ouder dat niet toch al? De school weet heel goed wie die ouders zijn en ook van wie de ouders bijna onzichtbaar lijken of helemaal niet in beeld zijn. Een professional is ervoor opgeleid om ook hiermee om te gaan. Geef de professional dat vertrouwen.

De coronacrisis vraagt veel van het onderwijs en ik heb begrip voor de keuzes die scholen hebben gemaakt in de afgelopen maanden. Het toont alleen ook aan dat in het onderwijs het nog altijd veiliger is om het collectief centraal te stellen in plaats van het individu. Om de standaard te verkiezen boven maatwerk. Hoe past dat bij een minister die zich zo hard maakt voor kansengelijkheid en onderwijsvernieuwing?

Beste minister, als u de leerling niet wilt laten zitten, nu niet en in de toekomst niet, spreek dan uw vertrouwen uit voor initiatieven die durven te breken met de standaard, die het individu centraal stellen en maatwerk zien als nieuwe norm.

Wat als het lukt?

Toen Nederland nog in de optimistsiche veronderstelling verkeerde dat Corona ons alleen maar via de tv zou bereiken, stond ik bij de Kamer van Koophandel om Strategic Friend te laten registreren. Het was 28 januari en twee weken eerder had ik besloten om te gaan starten als zelfstandig adviseur. De inschrijving ging vlot en bleek niet meer te behelzen dan het zetten van een paar handtekeningen.

Zo anders was het proces geweest dat ik had ondergaan om te komen tot mijn besluit. Dat proces had gevoeld als een marathon op flipflops. Het had niet veel gescheeld of de plannen voor Strategic Friend waren nooit verder gekomen dan mijn veilige schriftje en een kamertje in mijn hoofd. In mijn blog heb ik, in de context van andere verhalen, al eens wat gedeeld over de hardnekkige overtuigingen die hiermee te maken hebben.

Door te delen wat mij drijft en waarover ik mij verwonder, scherp ik mijn geest en ben ik meer in contact met mijn omgeving. Door persoonlijke ervaringen te delen, geeft ik het echte inkijkje in het hoofd van Strategic Friend. Meerdere lezers gaven mij in de afgelopen weken terug dat mijn blog wat bij hen heeft aangeraakt of aangewakkerd.

Uit de reacties die ik op ‘Drie maal drie is vijf’ mocht ontvangen, bleek dat onzekerheid en angst voor het falen veel mensen in de greep houdt. Hoeveel mooie plannen worden in de kiem gesmoord of komen niet uit de verf omdat de kritische stem het wint van de vrije geest? Zo zonde, weet ik nu uit eigen ervaring. Voor mij aanleiding om hier te delen hoe mijn kritische stemmen lange tijd de boventoon voerden en hoe Strategic Friend daar verandering in heeft gebracht.

Wat kan er ontstaan als de vrije geest de kritische stem weet te temmen?

Als Strategic Friend richt ik me op de vraag hoe organisaties zichzelf kunnen overtreffen en hun impact kunnen vergroten. Met mijn blik van buiten, analytisch vermogen en mijn brede interesse, kom ik snel tot de kern. Met een dosis humor en reflectie benoem ik wat mij opvalt en we gaan samen op zoek naar kansen en mogelijkheden. Lastige vragen ga ik niet uit de weg en mijn credo is: ‘Of we vinden een weg of we maken er één’.

Op vergelijkbare wijze spar ik met vrienden over vraagstukken die hen bezighouden. Geregeld word ik uitgenodigd om mee te denken over de meest uiteenlopende onderwerpen. Soms beschik ik over specifieke kennis van het onderwerp, maar vaak ook niet. Het is veelal niet de kennis die het verschil maakt in het gesprek, maar het zijn de open vragen, het snelle schakelen en het identificeren van kansen, die bepalend zijn voor de opbrengst.

Zo vanzelfsprekend als het voor mij is om met een onbevangen blik in gesprek te zijn met opdrachtgevers en mijn omgeving, zo anders was het tot voor kort als het mijn eigen plannen en ideeën betrof. De positieve en actiegerichte aanpak die tijdens mijn werk of aan de keukentafel bij die vriend of vriendin vanzelf verschijnt, verstopte zich maar al te graag zodra het om mijn persoonlijke vraagstukken ging.

Het zelfstandig ondernemerschap was een belangrijk terugkerend thema waarin dit tot uitdrukking kwam. Vol enthousiasme en overtuiging maakte ik plannen, maar dan kwam die stem opzetten die zei dat het maar de vraag was of het ging lukken. Twijfel en onzekerheid namen de plaats in van het enthousiasme, het vrije denken werd de nek omgedraaid en de actie bleef uit.

Begin 2020 besloot ik dat het anders moest. Niet omdat iemand het van me vroeg, maar omdat het kennelijk het moment was. Toen ik mij bijna weer had laten verleiden voor een functie in loondienst, viel het muntje dat ik een andere weg moest inslaan. Tijdens een sollicitatieprocedure voelde ik steeds meer weerstand ontstaan. Zonder te weten waardoor dit gevoel precies werd gevoed, sprak ik uit wat er gebeurde en ik bedankte voor de baan. Ik deed daarmee iets wat ik nog nooit eerder had gedaan.

Na afloop van het gesprek, stapte ik opgelucht in de auto. Al tijdens de rit naar huis werd duidelijk dat de comfortzone, waarin ik ruim 15 jaar succesvol was geweest, niet langer comfortabel bleek te zijn. Veelal was ik bezig geweest met goed doen in plaats van doen wat goed voelt. Vele jaren zat het een het ander niet in de weg, maar al enige tijd was dat niet meer het geval. Ik werd me er in één klap van bewust dat de veiligheid van een vast contract en de schouderklop van een tevreden baas, de gijzelaars van mijn ondernemersplannen waren geworden.

Niemand had er belang bij dat ik een andere afslag zou nemen, behalve ikzelf. De stem die zei dat deze te stap te risicovol was, negeerde ik en ik gaf ruimte aan het geluid dat ik laat horen als het om vraagstukken van anderen gaat. Het werd tijd om mijzelf eens een keer te overtreffen. De angst voor het falen maakte plaats voor actie en het zelfstandig ondernemerschap kreeg eindelijk een eerlijke kans.

Wat heeft het mij tot nu toe opgeleverd?

Er zijn nog geen vier maanden verstreken sinds de start van Strategic Friend en ondertussen heeft Corona de wereld op zijn kop gezet. Het virus heeft in zeer korte tijd veel angst voor de gezondheid en onzekerheid over de economie gebracht. Je zou kunnen zeggen dat ik geen slechter moment had kunnen kiezen om voor mijzelf te beginnen. Het feit dat ik met een grote glimlach op zaterdagavond nog aan mijn blog werk, bewijst dat er meer voor nodig is om mij van dit pad te krijgen.

Afgelopen periode heb ik benut om me verder te verdiepen in de richting en zichtbaarheid van Strategic Friend. In korte tijd ontstond Strategic Pen, waarbij mijn jongste zoon mij het laatste zetje gaf tussen twee happen ‘Pasta Carbonara‘. Per dag groeit het vertrouwen dat ik met Strategic Friend op de juiste weg zit. De positieve reacties en toekomstige opdrachten zijn een prachtige bonus, het feit dat ik dit pad eindelijk bewandel is de echte winst.

 

Op www.strategicfriend.com kun je meer lezen over Strategic Friend. Bellen, mailen, Zoomen of binnenkort een koffietje op een terras? Klik op deze link voor mijn contactgegevens. Ik ga graag met je in gesprek.

Glazen bol

Ik kan er niet omheen, ook bij mij leeft de vraag waar we goed aan doen met de aanpak van Corona. Want, wat is goed? Wat goed is voor de een, kan de nekslag zijn voor de ander. En een win op de korte termijn, is dat ook een win op de lange termijn?

Ik twijfelde of ik hierover wat ging schrijven. Niet omdat ik het niet een belangrijk onderwerp vind, maar omdat er al zoveel over wordt geschreven. De meningen over het coronabeleid, van wetenschappers, medici, politici, burgers en journalisten, buitelen over elkaar heen en komen via allerlei kanalen tot ons.

En dat is nu precies de reden waarom ik wél achter mijn laptop ben geschoven. Diezelfde laptop die mij dagelijks, op vele momenten per dag, voorziet van allerlei nieuws en opinie over het thema met de grote C. Ik ga niet nog een nieuwe mening toevoegen aan het lijstje van de juiste aanpak, maar ik wil stilstaan bij de vraag: wat vind ik eigenlijk van al die geluiden die op me afkomen?

Ik merkte afgelopen week dat ik moeite begon te krijgen met de toon van sommige berichten die het coronabeleid ter discussie stellen. Vrijheid van meningsuiting is een groot recht, waar ook ik dankbaar gebruik van maak, maar in steeds meer artikelen en berichten miste ik de reflectie. Met de kennis van nu worden de keuzes van toen stevig bekritiseerd en er wordt voorbijgegaan aan wat het wél heeft opgeleverd.

Het beleid dat twee maanden geleden was afgekondigd, heeft ons wellicht behoed voor een nog groter verlies. Wellicht, want we weten niet wat ander beleid ons had gebracht en of alle resultaten zijn toe te schrijven aan de maatregelen die zijn getroffen. Wat we achteraf kunnen vaststellen, is dat we op de top van de epidemie iedereen van een IC-bed konden voorzien, dat er rust werd gebracht in een samenleving die in paniek raakte en dat er sprake was van grote verbondenheid.

In een situatie die razendsnel veranderde -waarin binnen een week beelden van lacherige elleboogstoten plaatsmaakten voor heftige beelden op de IC- werd daadkrachtig opgetreden door het kabinet. Vanaf medio maart vond snelle besluitvorming plaats, waarbij bijna alle partijen hun politieke kleur ondergeschikt maakten. Uit onafhankelijke peilingen bleek, dat het overgrote deel van de burgers zich kon vinden in de maatregelen en blij was dat er eenduidig richting werd gegeven vanuit Den Haag.

Nu de piek in de zorg voorbij is en een deel van de isolatie is opgeheven, is het geluid in de samenleving veranderd. Waar in het begin van de crisis de minister-president veel bijval kreeg ómdat hij richting gaf, lijkt er nu steeds minder draagvlak te zijn voor de lijnen die zijn uitgezet in het collectieve belang. Individuele belangen worden sterker verkondigd en politieke kleur is weer meer hoorbaar. Er wordt steeds meer kritiek geuit op het beleid van de overheid, dat ook in de huidige vorm nog steeds sterk stuurt op het verkleinen van besmettingsrisico’s.

Niets mis met een kritische houding ten aanzien van het kabinetsbeleid, maar waarom is de toon veelal zo verwijtend en wie garandeert dat ander beleid -anders dan het overheidsbeleid- een beter effect sorteert? Tegenstanders van het beleid laten weinig ruimte voor de context waarin eerdere afwegingen zijn gemaakt en polarisatie ligt op de loer.

Waarom niet kiezen om met meer nuance en begrip te kijken naar keuzes die zijn gemaakt en via dialoog voortdurend te blijven identificeren wat beter kan? Een verdeelde samenleving met ieder ‘zijn gelijk’ gaat ons zeker niet dichterbij een antwoord brengen voor de aanpak van deze crisis.

Het is een feit dat wetenschap bestaat bij de gratie van het voortschrijdend inzicht. Er is geen ultieme aanpak en zeker niet als onderzoek pas een paar maanden onderweg is en nog veel onbekend is; wat vandaag in theorie het beste lijkt, kan morgen alweer onderuit zijn gehaald door de praktijk.

We leven niet in een sprookje en kunnen de afloop niet voorspellen, maar soms lijkt het erop dat de overheid wordt verweten niet over toverkunsten en een glazen bol te beschikken.

Drie maal drie is vijf

Vanochtend pakte ik een tas voor mijn boodschappen en mijn oog viel op de quote die op de stof was gedrukt: ‘Ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk dat ik het wel kan.’ Het is een geparafraseerde uitspraak van Pippi Langkous en het deed me terugdenken aan de films die ik als kind had gezien, met haar in de hoofdrol.

Destijds was ik me niet bewust van het stereotype beeld dat met Annika en Tommy werd neergezet, noch van de koloniale setting waarin de avonturen zich soms afspeelden. Ik was gegrepen door het lef dat Pippi had en de onbevangenheid waarmee zij in het leven stond. Ik wilde net zo stoer zijn en durven wat zij deed.

Nu, zoveel jaar later, vroeg ik mijzelf af wat er nog over is van het kind van toen en het verlangen dat er destijds was. Ik heb zeker dingen gedaan die ik niet voor mogelijk had gehouden, maar in veel gevallen ging dat gepaard met een intensief rationeel proces. Vooraf risico’s inschatten, daarna de sprong wagen en vervolgens voortdurend blijven twijfelen of ik het wel kon.

Ooit deed ik een postdoctorale opleiding op uitnodiging van mijn toenmalige werkgever. Ik mocht twee jaar lang een studie gaan doen die zeer gewild was binnen het publieke domein en het was een voorrecht dat ik hiervoor was benaderd. Echter, in plaats van te genieten van deze nieuwe ervaring en kans, was ik voortdurend bezig met de vraag of ik dit wel kon en of ik wel aan de verwachtingen zou kunnen voldoen.

Na twee jaar had ik het traject met goed gevolg afgerond, maar een gevoel van voldoening en trots bleef uit en ik besloot niemand uit te nodigen voor de eindceremonie. Diezelfde baas die mij deze kans had geboden, zat tijdens de ceremonie onaangekondigd in de zaal en zij nam me na afloop mee uit eten samen met een paar bevriende collega’s.

Aan tafel sprak zij de woorden: ‘Gefeliciteerd met deze mijlpaal en nu wordt het tijd dat je er zelf in gaat geloven.’ Mijn collega’s knikten instemmend en benadrukten hoe trots ze op me waren. Ik voelde me enorm opgelaten en vond het moeilijk om de complimenten in ontvangst te nemen. Nog steeds geloofde ik niet dat ik het kon. Het officiële diploma zat notabene in mijn tas onder tafel, maar het zou pas waarde krijgen als ik er zelf in ging geloven.

Dat moment, dat bijna twintig jaar geleden plaatsvond, flitste voorbij toen ik de opdruk op de linnen tas zag. De angst voor het onbekende en het willen voorkomen van het falen, hadden destijds de onbevangenheid buitenspel gezet. Wat heb ik ook daarna nog veel dingen gedaan zonder de overtuiging dat ik het kon. Talloze nieuwe ervaringen heb ik hierdoor overleefd in plaats van beleefd.

Hoe anders kan de ervaring zijn als je iets nieuws doet met het gevoel dat je het kunt. Door het zelfstandig ondernemerschap heeft dit bij mij eindelijk de nadruk gekregen. Natuurlijk word ik nog regelmatig overvallen met innerlijke kritische stemmetjes, maar het denken dat ik het kan, laat zich niet langer gijzelen door de ratio. De angst om te falen heeft plaatsgemaakt voor het genieten van de reis. Vijf, als uitkomst van drie maal drie, kan dan opeens ook als goed resultaat voelen.